donderdag 12 januari 2017

Verhaal Hopman in de Titaan #12

Linkje naar De Titaan



Hopman

Het is het begin van de zomervakantie, we zijn al een week op scoutingkamp. Morgen gaan we naar huis. Ik slaap met de hopman in een tweepersoonstent, hij is getrouwd, heeft twee kinderen en een snor. Hij is tien jaar ouder dan ik. Zijn vrouw is dik, lelijk en heel aardig. Ze geeft leiding aan de jongste groep, die niet mee op kamp gaat. De hopman en ik hebben al twee jaar de leiding over een groep pubers.
Ik woon sinds een jaar op kamers in de stad, maar elk weekend ga ik naar het dorp om leiding te geven bij de scouting. De hopman komt vaak naar mijn kamer om iets te overleggen of om me op te halen om boodschappen te doen voor onze groep. Het is alsof er dan een wereld binnenkomt die niet op mijn kamer hoort. Ik denk erover om na dit kamp te stoppen met scouting omdat ik soms in het weekend uit wil gaan met mijn nieuwe studiegenoten, soms doe ik dat al.
De hopman is een eigenwijze man, als hij het ergens niet mee eens is, blijft hij het er heel lang niet mee eens. Als ik met hem ga praten blijft hij het er iets minder lang niet mee eens. Ik word vaak door de andere leiding gestuurd om met hem te praten als de hopman koppig is. We kunnen het goed met elkaar vinden en het is een leuk kamp. We bedenken dingen waarmee we de kinderen de stuipen op het lijf kunnen jagen als ze in bed liggen. We krabbelen aan het tentzeil en maken snuivende geluiden, het kost ons moeite ons lachen in te houden.

We zitten met zijn vieren bij het laatste kampvuur en drinken veel bier. Ik ben de enige vrouw. Het wordt later en later. Om de beurt dans ik met een van mijn medeleiders op denkbeeldige muziek. We schuifelen zoals we dat vroeger op fuifjes deden. Een van hen trekt zijn T-shirt over mijn hoofd terwijl we dansen, we zijn erg dronken. Met de hopman dans ik het langst, ik moet hem af en toe een beetje omhoog hijsen en bijsturen. We gaan weer bij het vuur zitten, iets dichter bij elkaar dan daarvoor. Ik ga mijn slaapzak halen want mijn rug wordt koud en ik leg de slaapzak over mij en de hopman heen. Een van de anderen knipoogt naar mij. De hopman trekt de slaapzak over onze hoofden heen, hij zit stiekem aan mijn tiet en onze tongen vinden elkaar leuk. De hopman zegt dat hij van mij houdt maar ook van zijn vrouw. Ik weet niet wat ik terug moet zeggen, wat er nu gebeurt. Hij zoent me weer, de slaapzak blijft niet goed zitten, hij zakt naar beneden. We stoppen met zoenen en ik krijg weer een knipoog. Ik loop weg, ik denk aan de vrouw van de hopman. Hij loopt me achterna. Hij drukt me tegen een boom, we zoenen opnieuw en zijn snor kriebelt, ik heb nog nooit met een snor gezoend. Dan loopt hij richting het kampvuur en ik volg hem. De twee andere leiders krijgen ruzie. Die nacht slapen we met alle kampleiding in de bagagetent. De ruziemakers liggen tussen ons in.

De volgende dag fietst de hopman voorop en ik achterop, de pubers ertussen. We zijn samen een lang fietsend lint. Ik vind het prettig te fietsen en de boel in de gaten te houden. Mijn bonkende hoofd krijgt weinig kans zich volledig te manifesteren. Het trappen op de pedalen geeft me houvast.
Ik heb het gevoel dat ik gisteravond naar een indrukwekkende film heb gekeken, maar ik voel zijn snor nog kriebelen. De ruziemakers gaan met de bagage in een busje naar de blokhut. Tijdens de pauzes ontwijkt de hopman mijn blik en deelt nors minimarsjes uit. Als we bij het clubhuis aankomen, ruimen we zwijgend op en gaan naar huis. Als ik weer op mijn kamer ben, bel ik mijn moeder. Ze vraagt hoe het kamp was en ik zeg dat het leuk was. Ze zegt, er is zeker wat gebeurd tussen jou en de hopman. Daarna bel ik een vriendin en ik vertel haar het verhaal. Ze vraagt of het kan zijn dat we al die tijd al verliefd op elkaar waren zonder het te weten. Ik zeg dat het zou kunnen, verder weet ik niet wat ik moet doen. Als hij belt, neem ik niet op maar loop ik rond met de telefoon tot hij ophoudt met zijn irritante deuntje. Soms leg ik de telefoon onder een kussen op de bank. Hij belt eerst dagelijks, dan wekelijks, tot ik het begin te missen. Als de zomervakantie op haar einde is, hoor ik via de knipogende ruziemaker dat hij de vrouw van de hopman was tegengekomen bij de supermarkt. Ze had gezegd dat hun hond plotseling was overleden en dat de hopman hier dagenlang om had moeten huilen.

maandag 10 oktober 2016

Tekst voor De Internet Gids

Voor het online platform van literair tijdschrift De Gids schreef ik een dialoog.

Klik hier voor de tekst

woensdag 1 juni 2016

www.pretparkpoezie.nl

Paradepaardjes

Mijn jongere broers waren paradepaardjes met grote voortanden en kuifhaar.
Ze likten vaak langs hun lippen om het levensgenot te proeven.
Ze sleepten gereedschap in bomen en niemand bekommerde zich om hen.
Het waren autodidactische wezens, glad als natte zeep.
Ze hielden van draadjesvlees en aten het liefst rennend.

Ze bevonden zich op ladders en zolders boven mij.
In kelders en holen onder mij. Of ze speelden bij het grindgat
waarin brokstukken van een ooit bewoond huis lagen.

Ik moest direct na school mijn huiswerk maken.
Als het af was zocht ik mijn broers. Het waren er een stuk of vier.
Ik werd getraind in het opvangen van glimpen. Ik leerde
noodgedwongen in bomen klimmen en mijn
kalmte bewaren bij nauwe doorgangen.

Als ik mijn oor op de stoeptegels legde,
hoorde ik ze van me afrennen.


Verjaardag

Er is die verjaardag waar ik niet ben.
Ik ken iedereen nog van vroeger.
De jongens slaan elkaar hard lachend
tussen de schouderbladen.
De meisjes besluiten welke jongen
van hen is.

Achterin de koelkast ligt een blok ijs.
Het ligt er al jaren en de verjaardag duurt al jaren.
De verjaardag in een klein studentenhuis.

Ik krijg een jongen voor mijn verjaardag.
Het is mijn verjaardag en ik ben er niet,


ik hoef de jongen niet uit te pakken. 

woensdag 11 mei 2016

Het Gezeefde Gedicht

Er zit weer een gedicht in de De Zeef


Oom

Met een pincet trek ik een haar uit
twee weken later trek ik met een pincet 
op dezelfde plek een haar uit
de haar is hard en zwart en wordt niet 
blonder en dunner ook al zeggen ze 
dat naarmate je haren vaker uitrekt 
ze dunner en lichter worden

ergens onderaan je gezicht een terugkerende zwarte haar hebben 
is een genetisch erfenis van mijn boerenfamilie

ik denk aan de bonkige gestalte van mijn oom
aan hoe hij me op schoot trok, als tiener nog
en vroeg of ik al een vriendje had
ik rook de mestgeur uit zijn poriën 

ik denk aan hoe zijn bovenarmen tegen 
de wanden van de kist drukten
elke keer dat ik aan hem denk 
barsten de planken, groeit hij terug

woensdag 18 november 2015

Twee gedichten op de website van literair tijdschrift De Revisor

Hier op de site te lezen:

http://www.revisor.nl/entry/2140/twee-gedichten-rinske-kegel

en een luister en kijk linkje : Klik!

En hier op mijn blog: 


Alvast

Dit is wat je alvast doet
een kist maken
vragen of ik proef wil liggen
iets ruimer zeg ik
jij zegt te weinig hout maar
daar merk je dan toch niks van
en
niet dat ik je dood wil
vervolgt
ik heb nog handgrepen liggen
uit de oertijd
toen alles er toe deed
ik nooit aan de dood dacht
nooit aan jou


Decor

De flamingo's strekken potsierlijk
hun poten als meetinstrumenten
als ze vergeten suikerspinnen
te eten verliezen ze aan gratie
worden ze wit als een spatie in
een aangeklede zin
suikerspinnen vreten
het mooie plaatje niet vergeten
hun zoetige adem kleeft aan het decor
het spiegelende water de ogen
van de bezoekers
maar iedereen kijkt 
naar de witte flamingo

woensdag 26 augustus 2015

Ik sta met een gedicht op Het Gezeefde Gedicht

Hier kan je het lezen op de site



Of je verliefd zou kunnen worden op een bijstandsgerechtigde

De werkeloze apotheker die vader was
sprak met de werkeloze moeder
die van beroep moeder was geweest
en voelde een lagedrukgebied zich onder zijn navel
ontwikkelen en dacht aan een weegschaal
die leed zou kunnen wegen en wat de waarde van dat wegen was
en of hij aan een bijstandsgerechtigde zijn hart zou kunnen verliezen
hij keek omhoog en de werkeloze moeder keek omhoog
en zei dat er een storm zou komen dat ze dat in haar
liezen kon voelen en de apotheker dacht aan
het jongetje dat nog steeds op school
op de achterkant van een potlood
zat te kauwen precies zoals hij vroeger deed.

donderdag 30 juli 2015

Foto

Mooie foto van mij door Jan Glas op Tzum

Deze foto werd gemaakt op het poeziefestival Dichters in de Prinsentuin, waar ik ook mijn promotiebundel voor het eerst aan publiek kon verkopen.




donderdag 16 april 2015

Wachten

Onderstaand gedicht wordt voorgedragen door Nico Huijbregts ondersteund door een jazzensemble tijdens een voorstelling 'One Room'  een avond vol nationale en internationale poëzie en muziek over  'plekken'.  
In Brebl Nijmegen op 30 april 2015. Aanvang 20.30 uur


Wachten

We komen elkaar tegen op plekken waar we
niet afgesproken hebben. Plekken waar zout
is achtergebleven, zoals op je huid als je
in zee bent geweest.

We weten niet hoe we daar komen. Wellicht
is het omdat mijn hoofd zo goed onder je
sleutelbeen past of omdat ik steeds vergeet
dat je een instinct hebt.

We bezoeken vaak parkeerplaatsen
en benzinestations en wachten daar tot
het licht wordt, zelfs overdag.

We wachten terwijl we naar de
mensen kijken die naar huis gaan

of van huis weg.

dinsdag 24 februari 2015

Inzending Boekenweek Schrijfwedstrijd

Hier kunt u stemmen en een reactie achter laten!!

De moeder van Frederik

Frederik heeft een moeder die elke rimpel dicht smeert met poeder. Ze draag wollen mantelpakjes in pasteltinten. Op mijn tweede werkdag op de jongerengroep van het dagactiviteitencentrum zegt ze : mijn Frederik is ooit gezond geweest. Het woord 'mijn' spreekt ze nadrukkelijk uit. Ze zegt dat haar kind rond zijn vierde verstandelijk beperkt en autistisch is geworden door een griepvirus waarvan hij niet goed herstelde. Ze somt op wat haar kind nooit zal kunnen zoals, rekenen, zelfstandig denken, relaties aangaan. Frederik kan niet tegen lawaai niet tegen muziek terwijl hij dat als gezond kind heerlijk vond. Frederik zal altijd van mij afhankelijk blijven, zegt ze alsof ze er trots op is.
Frederik spreekt niet, maar zijn ogen zijn helder en op de spaarzame momenten dat hij me aankijkt raak ik in de war van zijn blik, die net zo helder is als die van mijn collega's. Ik meen er lichte spot in te herkennen. Nu zijn moeder hem brengt gedraagt hij zich wild en ongecontroleerd, trekt stoelen om en maakt rare keelgeluiden en begroet ons niet. Toen hij gisteren met het busje kwam was hij stiller, bewoog zijn bovenlichaam een beetje op en neer en gaf alle groepsleider een klein tikje op hun wang, mij ook, en grijnsde.
Het werken met autistische jongeren die ook nog een verstandelijke beperking hebben is een kwestie van structuur. Pictogrammen en handgebaren wijzen hen de weg in het chaotische bestaan. Frederik heeft een houten kleuterpuzzel voor zich liggen, een ander smeert scheerschuim over zijn tafelblad, het is wennen hier.
Ik maak naar hem het gebaar van werken. Verveeld schud Frederik de houten stukken op zijn tafel. Het moet een poes worden, zeg ik. Met één oog kijkt hij naar me, als een sledehond. Zijn handelingen zijn verveeld. Hij hangt achterover in zijn stoel en als een puber die in zijn bord met eten roert, verschuift Frederik de puzzelstukken. Ik leg er eentje voor hem in de hoek en zeg: nu jij. Hij stoot een vreemde hoge klank uit, ik meen er een 'nee' in te herkennen. Hij staat op, loopt naar het pictogrammenbord en wijst op het pictogram waar toilet op staat. Moet je plassen vraag ik?
Hij sleurt me mee naar het toilet. In de deuropening kijkt Frederik me aan , trekt zijn broek naar benden en grijnst. Snel doe ik de wc-deur dicht. Ik hoor weer dat hoge geluid, ik hoor geen geklater. Tijdens het handen wassen wilt hij zijn handen niet onder de kraan houden hij fladdert ermee als een jong vogeltje dat vliegles krijgt. Als ik zijn handen beetpak en onder de warme kraan hou en was, hoor ik hem zuchten. Daarna maakt hij de puzzel in een paar seconden. Het halfuurtje werken is voorbij. We gaan naar buiten. Frederik staat in een hoekje met zijn hoofd in zijn nek naar de overdrijvende wolken te staren en wiegt zijn bovenlichaam als een vreemde hijskraan van links naar rechts, een gelukzalige glimlach rond zijn lippen. Andere jongeren uit mijn groep, springen op de trampoline of spelen met een bal. Ik vraag aan een collega of Frederik wel eens speelt. Nee, zegt mijn collega, meestal staat hij een beetje naar zijn schoenen te staren, dat hij nou zo gefascineerd is door de wolken is voor het eerst. Hij heeft een puzzel gemaakt, zeg ik. Ze kijkt me fronsend aan.


Frederik is een week ziek geweest, ik werk hier nu twee weken. Zijn moeder komt hem brengen. Frederik is nog bleek en hij ziet er nog magerder uit dan hij al was. Zijn moeder zegt dat hij een antibioticakuur heeft moeten volgen, dat hij een blaasontsteking had en ook nog een fikse griep.
Ze vraagt of we wel goed op de hygiëne letten. Ze kijkt kritisch naar ons keukentje. Frederik is al schreeuwend naar het raam gelopen en begint er op te bonken, hij maakt rare luchtsprongen die ik nog niet eerder heb gezien. Kom bij je moedertje, roept zijn moeder. Ik zie wat lippenstift op haar tand zitten, een bevroren glimlach rond haar lippen. Maar Frederik komt niet bij zijn moedertje.
Ik loop naar hem toe en leg een hand op zijn schouder. Hij loopt onder mijn hand vandaan en gaat gillend op zijn stoel zitten. Zijn moeder werpt nog haviksblik op ons en roept: ik moet gaan, maar wellicht moet ik de inspectie eens inschakelen. Als ze weg is sterft het gegil af, Frederik gaat met zijn hoofd op zijn armen op tafel liggen. We beginnen met het laten zien van de dagindeling, vanmiddag komt er een muziekgroep. Een collega fluistert dat we Frederik maar niet moeten meenemen, dat hij niet tegen drukte en muziek kan. Frederik valt in slaap, we besluiten hem te laten slapen. Na een uurtje wordt hij wakker. Ik zeg dat ik vier op een rij wil gaan spelen met Frederik. Mijn collega begint te lachen en mompelt: succes. Ik zet het spelbord op en ik leg Frederik het spel uit.
Hij kijkt me niet aan maar rommelt wat in het bakje met zijn fiches. Begin maar zeg ik. Hij doet vier fiches van zijn kleur in een rijtje en begint een soort gebrul uit te kramen dat op lachen lijkt. Ik schiet ook in de lach. Mijn collega kijkt stuurs en ik zeg: we beginnen even opnieuw, Frederik. Frederik stopt willekeurig wat fiches inde gaatjes, hij kijkt niet meer naar wat hij doet.
In de pauze staart hij naar zijn schoenen. Na de pauze stellen de muzikanten zich op in de grote zaal, er staan stoelen klaar.
We leggen de kinderen uit wat er gaat gebeuren. Frederik laten we achter met een puzzel. Vlak voor we weggaan zeg ik tegen Frederik: als je wil komen luisteren kom dan gerust naar de grote zaal. Mijn collega kijkt me meewarig aan. Als de muziek begint denk ik aan Frederik en zijn moeder.
Na ongeveer tien minuten voel ik twee knokige handen op mijn schouders.

maandag 23 februari 2015

Inzending voor de 'Sofamonologen' van Op Ruwe Planken

Literair open podium Op Ruwe Planken schreef een wedstrijd uit. De Sofamonologen. Als je je aanmeldde kreeg je een psychische aandoening opgestuurd en van daaruit moest je een monoloog schrijven alsof je bij de psychiater op de sofa lag. Ik kreeg ADHD.
Ik won de wedstrijd niet, maar ik heb zo'n enorm plezier gehad in het schrijven van deze monoloog dat ik hem jullie niet wil onthouden. Komt ie:


Alle Dagen Heel Druk

Wat ik over mezelf kan vertellen, heeft u even?

Mijn naam is Terry. Toen ik in de buik van mijn moeder zat verveelde ik me te pletter Er was niets te doen, het was er altijd dezelfde temperatuur en er was alleen een vaag rood schemerdonker te zien. Toen ik enigszins mijn ledematen kon bewegen doodde ik de tijd met mijn moeder uit haar slaap te houden. Haar buik was niet mooi rond maar leek een immer verschuivende gletsjertoestand. Ik verheugde mij op de momenten dat ze naar de fles greep, dan voelde ik tenminste nog iets van sensatie. Toen ik geboren werd kreeg ik eindelijk wat ik nodig had, indrukken!
Ik was blij dat mijn moeder alcoholiste was, ik had meer dan één verslaving nodig om mijn honger te stillen. Ik sabbelde aan beide borsten tegelijk, probeerde ondertussen met mijn apenteentjes een paar rammelaars in de lucht te houden terwijl ik op het plafond een spin in de gaten hield. Tussendoor probeerde ik mijn stem uit die zoveel mogelijkheden bleek te bezitten dat ik van opwinding in mijn broek poepte en pieste terwijl de moedermelk, die meer op Baileys leek, uit mijn enthousiaste mondje omhoog kwam.
De geuren, de kleuren, de geluiden, ik vond het allemaal overweldigend en ontroerend.
Muren waren voor mij doorgangen, met eten kon je prachtige beeldhouwwerken maken en in de wasmachine maakten mijn huisdieren waanzinnige ruimtereizen. Ik organiseerde ontroerende begrafenissen en crematies in bloempotten en magnetrons voor alles wat door mijn toedoen het leven liet.
Mijn moeder verdween op een dag dat het onweerde en ik alle ramen en deuren had opengezet omdat ik wilde dat de storm bij me zou komen spelen, ik voelde overeenkomsten.
Toen ging ik bij mijn oma wonen, ze kon goed worstelen.


Hoe mijn schooltijd was, bedoelt u mijn gevangenschap?
Toen ik naar school moest wist ik meer van de kosmos en van de mogelijkheden binnenin mij dat ik niet begreep waarom ik geen torens mocht bouwen met de lichamen van mijn klasgenoten, waarom ik op de gang gezet werd als ik een hommel probeerde te redden die met zijn insectenhoofdje keer op keer tegen het raam van de klas vloog, waarachter de wereld lag.
Er bestonden toen nog geen middelen als Ritalin, een naam die klinkt als een verleidelijke vrouw. Kinderen die dat krijgen schijnen zombies te worden, hebben we er daar al niet genoeg van?
Ik had geen hulp nodig, nog steeds niet, ik bevind me alleen uit liefde voor mijn vriendin op deze poepsjieke sofa, wiebelend omdat ik zitvlees ontbeer. U ziet eruit als een ambtenaar en al uw vragen beginnen met een W of een H.


U vraagt wat mij gelukkig maakt.
Ik ben een tevreden mens. Ik werk voor een coffeeshop, ik heb geen neusschot meer waardoor ik extra veel zuurstof binnenkrijg en ik woon in Amsterdam, de stad van de prikkels. Ik hou van mensen en van klare taal. Ik krijg nooit duidelijke antwoorden terwijl de vragen die ik stel in de binnenkant van je oor passen. Speel geen spelletjes met mij, meewarige blikken zijn voor mij een teken van mijn gelijk. Ik ben niet gek, ik ben als jij, maar dan zonder luxaflex. Als ik last heb van het licht, drink ik, snuif ik, spreek ik een toeriste aan met grote borsten en vraag of ze gelukkig is. Dat zijn mijn luxaflexerende noodzakelijkheden. Voor elk mens is er iets uitgevonden dat diegene nodig heeft. Ambtenaren krijgen bureaucratie, mensen als ik drugs. Wij functioneren daar prima op.
Ik rij graag op mijn scooter door Amsterdam met een plastic zak vol wiet en knipoog naar de smerissen. Voor mijn geliefden, mijn rotte familie doe ik alles. Ik stel ze teleur en win ze steeds opnieuw voor me, met mijn puppyogen. Als mijn vriendin 's ochtends in een dameslaars vol pis stapt, krijgt ze van mij dezelfde dag nog drie paar nieuwe laarzen en een lekkere befbeurt.

Wat mij raakt, vraagt u, heb ik daar al niet op geantwoord ?
Ik was een keer in een museum, toen werd ik kunstenaar. Ik was een keer in Paradiso, toen werd ik muzikant. Ik word waar ik ben.
Meestal ben ik een kleine crimineel omdat ik vaak op plekken ben waar veel is.

Wat ik vind van het idee om af te kicken?
Hahaha!

Gaat u nu een rapportje schrijven?
Hopelijk een goed rapportje, want die kreeg ik vroeger nooit, er stond altijd op dat ik geen geweten heb.








 


zondag 22 februari 2015

Proza voor De Vorlesebühne 'Het geniepige visioen'.

Ik schreef vijf korte teksten waarvan er een te lezen is op tijdschrift ei en droeg ze voor in de Houtzaagmolen in Utrecht. 
Samen met Arnoud Rigter, Simon Weeda, Twan Zeegers, Kine Brettschreider en Sylvia Hubers. Een concept waar alle schrijvers samen op het podium staan en elkaar aanvullen en soms ook participeren in elkanders teksten. De Vorlesebühne is een initiatief van Bernhard Christiansen.


Mijn geniepige visioen

Alle kippen van alle legbaterrijbedrijven waren losgebroken en trokken al kakelend naar mijn volksbuurtje om voor mijn deur tot stilstand te komen. Door al dat lawaai opende ik, slechts gekleed in een slaaphemd, de deur en miljoenen rechtervleugels wezen in mijn richting. Miljoenen kippen wezen mij met hun rechtervleugel aan. 
Ik keek de voorste kip recht in de ogen en ik kon niet meer spreken. Ik keek nog meer kippen in hun priemende oogjes en begon een vreemd ovaal gevoel in mijn onderbuik te krijgen. Hoe meer kippen 
ik aankeek, hoe warmer ik het kreeg. Ik kreeg zin in granenkoekjes en rijstwafels, ik kon de kippen steeds beter verstaan. Ineens werd het stil. De voorste kip scharrelde aarzelend en hief toen haar kopje naar voren, er biggelde een traan uit haar ogen toen ze begon te spreken. Toen ze uitgesproken was kreeg ik een enorme aandrang om te poepen, het was onstuitbaar. Toen ik een gouden ei legde begonnen alle kippen te juichen.

Voorbede
Vroeger nam onze moeder ons mee naar de zondagse kerkdienst bij de zusters Clarissen. Daar was een moment in de viering waarop iedereen hardop mocht bidden, een voorbede doen heette dat.
Mensen baden meestal voor een ziek familieleid of voor een overledene. Na afloop van zo'n voorbede zei iedereen: laat ons bidden. Je wist nooit wanneer er iemand zou beginnen en soms begonnen er twee mensen tegelijk, die verwarring vond ik leuk. Zuster Egidio bad altijd voor de mensen die ons land bestuurden en wenste ze wijsheid, liefde en kracht toe. Altijd dezelfde riedel met hetzelfde Achterhoeks accent. Inmiddels gaan we al heel lang niet meer naar de kerk, maar Zuster Egidio leeft nog en doet haar voorbeden tegen beter weten in. Laat ons in hemelsnaam dan maar bidden.

Vetplant
Op mijn enige verzoek wat ik in de tijd deed dat ik met P. was zei P. dat hij er visioenen van kreeg waarin hij een draakachtig wezen moest verslaan maar het zwaard nergens kon vinden.
Zijn voorwaarde was dat we beide bezoeken in één weekend zouden afleggen. Zaterdagochtend gingen we naar mijn ouders, dan hoefden we niet te blijven eten. Hij had een zelf gekweekte vetplant voor ze uitgezocht. Mooi, zei mijn moeder. Leuk dat je die zelf gekweekt hebt, zei mijn vader. Mijn moeder zette de vetplant tussen haar orchideeën. P. bleef de hele tijd op het puntje van zijn stoel zitten.
Die avond gingen we bij zijn moeder eten. We kregen een koude salade met kip en ananas en droge toastjes. Lekker, zei ik, zelfgemaakt? Nee, zelf gekocht zei zijn moeder. Na het eten liet ze me een fotoboek zien met jeugdfoto's van P.. Bij elke foto vertelde ze iets over een prestatie van P.. Zwemdiploma, verkeersdiploma, verkleedwedstrijd. Op één foto had hij lederhosen aan, ik slikte een lach in. P. kreeg een rood hoofd en zei dat hij ging roken. 
Jullie mogen in mijn bed slapen, zei zijn moeder tegen mij. Toen we in dat vreemd ruikende bed lagen wilde P. vrijen, ik had honger.

Kapitein
Mijn vader is een kapitein. Ik weet dat hij elke morgen naar kantoor gaat. Het kantoor is een schip met vrolijke jonge matrozen die ritmisch 'ho' roepen als ze de zeilen hijsen. Mijn vader maakt zich nooit zorgen over mijn moeder die vaak op de bank ligt en veel zucht. Mijn moeder brengt ons elke dag naar school met haar krakende fiets, haar krakende gewrichten, haar krakende stem en bepakt met tassen en knuffeldieren en doekjes. Mijn vader moet al heel vroeg op zijn werk zijn. Hij heeft een spreekkamer. Het is een kajuit met een gouden verrekijker waarmee hij zijn cliënten, de matrozen bespied. Mijn moeder drijft de rest van de dag op de bank en probeert klodders frituurvet van de vloer te vegen maar ze kan er meestal niet bij, spinnenwebben in de hoeken zijn niet makkelijk te vangen als je op een drijvende bank ligt. Bij ons thuis zweeft er van alles rond. Wezentjes die we zelf bedacht hebben en die we, als we thuis zijn, kraaltjes voeren zodat ze van kleur en vorm veranderen. 
Ze drinken van schoteltjes melk die we in de hoeken van de kamers neerzetten. Als mijn vader s'-avonds, na maanden op zee, thuis komt vertelt hij ons sterke verhalen over duistere kroegjes in havens waar zatlappen en schaars geklede dames schering en inslag zijn, over inheemse stammen die apenhersenen eten om slimmer te worden en als we hem niet geloven grijpt hij ons bij de enkels en schud ons ongeloof er uit. Als jullie groot genoeg zijn worden jullie allemaal kapitein, dat heeft een waarzegster op een van mijn reizen me voorspeld, zegt onze vader en roept schip Ahoy! Hij grijpt onze moeder bij haar middel en doet een tango. Onze moeder is stijf als een reaniematiepop, in zijn armen. Wij dansen mee, de wezentjes dansen mee, we dansen met de kapitein. Onze moeder zegt dat ze verder moet met eten koken en onze vader roept dat het al heerlijk ruikt. Op onze borden ligt een ondefinieerbare grijze prut en mijn vader zegt, heerlijke prut, knipoogt naar onze moeder en stopt het in het gat in zijn baard. Wij eten en kijken naar onze vader de kapitein en proberen het lekker te vinden. Onze moeder eet nauwelijks, ze heeft het te druk met zuchten en vlekken uit het tafelkleed poetsen. In de bank zit een groot zwart gat, maar onze vader is thuis van de zee, de zoute zee.
Het toetje is kietelen, roept de kapitein. Als we moe gelachen in bed liggen hopen we dat de zee zal opdrogen.


donderdag 12 februari 2015

Zeer kort verhaal in Torpedo magazine

Twee flatgebouwen



We zitten allebei bovenop ons eigen flatgebouw, op de rand, met bungelende benen. Voorzichtig hè, schreeuw ik naar jouw flatgebouw. Ja hoor, doe ik heus wel, schreeuw je terug. Ik kan je zien, maar we zijn net te ver van elkaar verwijderd om elkaar aan te kunnen kijken. Er vliegt een gans over zonder soortgenoten om een letter V mee te vormen. Hij gakt, het klinkt verlangend, als een kind dat om een ijsje zeurt. Je zwaait naar me en ik zwaai terug. Dan ga je op de rand staan. Het voelt alsof er een te dik sinaasappelpartje in mijn strot zit. Mijn dreunende hart probeert het als een heipaal door mijn slokdarm te duwen.
Zag je die grote vogel, schreeuw je en wijst. Voorzichtig, straks val je, roep ik terug. Ik ben inmiddels zelf ook gaan staan.

Je staat zelf ook, gekkie. We zijn vogels, schreeuw je en maakt vliegbewegingen met je armen. Hou op, schreeuw ik, tegelijkertijd moet ik lachen. Je komt gevaarlijk dicht bij de rand en dan spring je. Je vliegt. Je vliegt de gans achterna, jullie worden twee puntjes, het ziet er prachtig uit. Ik haal adem en voel hoe de tijd in mijn keel klopt.