dinsdag 24 februari 2015

Inzending Boekenweek Schrijfwedstrijd

Hier kunt u stemmen en een reactie achter laten!!

De moeder van Frederik

Frederik heeft een moeder die elke rimpel dicht smeert met poeder. Ze draag wollen mantelpakjes in pasteltinten. Op mijn tweede werkdag op de jongerengroep van het dagactiviteitencentrum zegt ze : mijn Frederik is ooit gezond geweest. Het woord 'mijn' spreekt ze nadrukkelijk uit. Ze zegt dat haar kind rond zijn vierde verstandelijk beperkt en autistisch is geworden door een griepvirus waarvan hij niet goed herstelde. Ze somt op wat haar kind nooit zal kunnen zoals, rekenen, zelfstandig denken, relaties aangaan. Frederik kan niet tegen lawaai niet tegen muziek terwijl hij dat als gezond kind heerlijk vond. Frederik zal altijd van mij afhankelijk blijven, zegt ze alsof ze er trots op is.
Frederik spreekt niet, maar zijn ogen zijn helder en op de spaarzame momenten dat hij me aankijkt raak ik in de war van zijn blik, die net zo helder is als die van mijn collega's. Ik meen er lichte spot in te herkennen. Nu zijn moeder hem brengt gedraagt hij zich wild en ongecontroleerd, trekt stoelen om en maakt rare keelgeluiden en begroet ons niet. Toen hij gisteren met het busje kwam was hij stiller, bewoog zijn bovenlichaam een beetje op en neer en gaf alle groepsleider een klein tikje op hun wang, mij ook, en grijnsde.
Het werken met autistische jongeren die ook nog een verstandelijke beperking hebben is een kwestie van structuur. Pictogrammen en handgebaren wijzen hen de weg in het chaotische bestaan. Frederik heeft een houten kleuterpuzzel voor zich liggen, een ander smeert scheerschuim over zijn tafelblad, het is wennen hier.
Ik maak naar hem het gebaar van werken. Verveeld schud Frederik de houten stukken op zijn tafel. Het moet een poes worden, zeg ik. Met één oog kijkt hij naar me, als een sledehond. Zijn handelingen zijn verveeld. Hij hangt achterover in zijn stoel en als een puber die in zijn bord met eten roert, verschuift Frederik de puzzelstukken. Ik leg er eentje voor hem in de hoek en zeg: nu jij. Hij stoot een vreemde hoge klank uit, ik meen er een 'nee' in te herkennen. Hij staat op, loopt naar het pictogrammenbord en wijst op het pictogram waar toilet op staat. Moet je plassen vraag ik?
Hij sleurt me mee naar het toilet. In de deuropening kijkt Frederik me aan , trekt zijn broek naar benden en grijnst. Snel doe ik de wc-deur dicht. Ik hoor weer dat hoge geluid, ik hoor geen geklater. Tijdens het handen wassen wilt hij zijn handen niet onder de kraan houden hij fladdert ermee als een jong vogeltje dat vliegles krijgt. Als ik zijn handen beetpak en onder de warme kraan hou en was, hoor ik hem zuchten. Daarna maakt hij de puzzel in een paar seconden. Het halfuurtje werken is voorbij. We gaan naar buiten. Frederik staat in een hoekje met zijn hoofd in zijn nek naar de overdrijvende wolken te staren en wiegt zijn bovenlichaam als een vreemde hijskraan van links naar rechts, een gelukzalige glimlach rond zijn lippen. Andere jongeren uit mijn groep, springen op de trampoline of spelen met een bal. Ik vraag aan een collega of Frederik wel eens speelt. Nee, zegt mijn collega, meestal staat hij een beetje naar zijn schoenen te staren, dat hij nou zo gefascineerd is door de wolken is voor het eerst. Hij heeft een puzzel gemaakt, zeg ik. Ze kijkt me fronsend aan.


Frederik is een week ziek geweest, ik werk hier nu twee weken. Zijn moeder komt hem brengen. Frederik is nog bleek en hij ziet er nog magerder uit dan hij al was. Zijn moeder zegt dat hij een antibioticakuur heeft moeten volgen, dat hij een blaasontsteking had en ook nog een fikse griep.
Ze vraagt of we wel goed op de hygiëne letten. Ze kijkt kritisch naar ons keukentje. Frederik is al schreeuwend naar het raam gelopen en begint er op te bonken, hij maakt rare luchtsprongen die ik nog niet eerder heb gezien. Kom bij je moedertje, roept zijn moeder. Ik zie wat lippenstift op haar tand zitten, een bevroren glimlach rond haar lippen. Maar Frederik komt niet bij zijn moedertje.
Ik loop naar hem toe en leg een hand op zijn schouder. Hij loopt onder mijn hand vandaan en gaat gillend op zijn stoel zitten. Zijn moeder werpt nog haviksblik op ons en roept: ik moet gaan, maar wellicht moet ik de inspectie eens inschakelen. Als ze weg is sterft het gegil af, Frederik gaat met zijn hoofd op zijn armen op tafel liggen. We beginnen met het laten zien van de dagindeling, vanmiddag komt er een muziekgroep. Een collega fluistert dat we Frederik maar niet moeten meenemen, dat hij niet tegen drukte en muziek kan. Frederik valt in slaap, we besluiten hem te laten slapen. Na een uurtje wordt hij wakker. Ik zeg dat ik vier op een rij wil gaan spelen met Frederik. Mijn collega begint te lachen en mompelt: succes. Ik zet het spelbord op en ik leg Frederik het spel uit.
Hij kijkt me niet aan maar rommelt wat in het bakje met zijn fiches. Begin maar zeg ik. Hij doet vier fiches van zijn kleur in een rijtje en begint een soort gebrul uit te kramen dat op lachen lijkt. Ik schiet ook in de lach. Mijn collega kijkt stuurs en ik zeg: we beginnen even opnieuw, Frederik. Frederik stopt willekeurig wat fiches inde gaatjes, hij kijkt niet meer naar wat hij doet.
In de pauze staart hij naar zijn schoenen. Na de pauze stellen de muzikanten zich op in de grote zaal, er staan stoelen klaar.
We leggen de kinderen uit wat er gaat gebeuren. Frederik laten we achter met een puzzel. Vlak voor we weggaan zeg ik tegen Frederik: als je wil komen luisteren kom dan gerust naar de grote zaal. Mijn collega kijkt me meewarig aan. Als de muziek begint denk ik aan Frederik en zijn moeder.
Na ongeveer tien minuten voel ik twee knokige handen op mijn schouders.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen