zondag 22 februari 2015

Proza voor De Vorlesebühne 'Het geniepige visioen'.

Ik schreef vijf korte teksten waarvan er een te lezen is op tijdschrift ei en droeg ze voor in de Houtzaagmolen in Utrecht. 
Samen met Arnoud Rigter, Simon Weeda, Twan Zeegers, Kine Brettschreider en Sylvia Hubers. Een concept waar alle schrijvers samen op het podium staan en elkaar aanvullen en soms ook participeren in elkanders teksten. De Vorlesebühne is een initiatief van Bernhard Christiansen.


Mijn geniepige visioen

Alle kippen van alle legbaterrijbedrijven waren losgebroken en trokken al kakelend naar mijn volksbuurtje om voor mijn deur tot stilstand te komen. Door al dat lawaai opende ik, slechts gekleed in een slaaphemd, de deur en miljoenen rechtervleugels wezen in mijn richting. Miljoenen kippen wezen mij met hun rechtervleugel aan. 
Ik keek de voorste kip recht in de ogen en ik kon niet meer spreken. Ik keek nog meer kippen in hun priemende oogjes en begon een vreemd ovaal gevoel in mijn onderbuik te krijgen. Hoe meer kippen 
ik aankeek, hoe warmer ik het kreeg. Ik kreeg zin in granenkoekjes en rijstwafels, ik kon de kippen steeds beter verstaan. Ineens werd het stil. De voorste kip scharrelde aarzelend en hief toen haar kopje naar voren, er biggelde een traan uit haar ogen toen ze begon te spreken. Toen ze uitgesproken was kreeg ik een enorme aandrang om te poepen, het was onstuitbaar. Toen ik een gouden ei legde begonnen alle kippen te juichen.

Voorbede
Vroeger nam onze moeder ons mee naar de zondagse kerkdienst bij de zusters Clarissen. Daar was een moment in de viering waarop iedereen hardop mocht bidden, een voorbede doen heette dat.
Mensen baden meestal voor een ziek familieleid of voor een overledene. Na afloop van zo'n voorbede zei iedereen: laat ons bidden. Je wist nooit wanneer er iemand zou beginnen en soms begonnen er twee mensen tegelijk, die verwarring vond ik leuk. Zuster Egidio bad altijd voor de mensen die ons land bestuurden en wenste ze wijsheid, liefde en kracht toe. Altijd dezelfde riedel met hetzelfde Achterhoeks accent. Inmiddels gaan we al heel lang niet meer naar de kerk, maar Zuster Egidio leeft nog en doet haar voorbeden tegen beter weten in. Laat ons in hemelsnaam dan maar bidden.

Vetplant
Op mijn enige verzoek wat ik in de tijd deed dat ik met P. was zei P. dat hij er visioenen van kreeg waarin hij een draakachtig wezen moest verslaan maar het zwaard nergens kon vinden.
Zijn voorwaarde was dat we beide bezoeken in één weekend zouden afleggen. Zaterdagochtend gingen we naar mijn ouders, dan hoefden we niet te blijven eten. Hij had een zelf gekweekte vetplant voor ze uitgezocht. Mooi, zei mijn moeder. Leuk dat je die zelf gekweekt hebt, zei mijn vader. Mijn moeder zette de vetplant tussen haar orchideeën. P. bleef de hele tijd op het puntje van zijn stoel zitten.
Die avond gingen we bij zijn moeder eten. We kregen een koude salade met kip en ananas en droge toastjes. Lekker, zei ik, zelfgemaakt? Nee, zelf gekocht zei zijn moeder. Na het eten liet ze me een fotoboek zien met jeugdfoto's van P.. Bij elke foto vertelde ze iets over een prestatie van P.. Zwemdiploma, verkeersdiploma, verkleedwedstrijd. Op één foto had hij lederhosen aan, ik slikte een lach in. P. kreeg een rood hoofd en zei dat hij ging roken. 
Jullie mogen in mijn bed slapen, zei zijn moeder tegen mij. Toen we in dat vreemd ruikende bed lagen wilde P. vrijen, ik had honger.

Kapitein
Mijn vader is een kapitein. Ik weet dat hij elke morgen naar kantoor gaat. Het kantoor is een schip met vrolijke jonge matrozen die ritmisch 'ho' roepen als ze de zeilen hijsen. Mijn vader maakt zich nooit zorgen over mijn moeder die vaak op de bank ligt en veel zucht. Mijn moeder brengt ons elke dag naar school met haar krakende fiets, haar krakende gewrichten, haar krakende stem en bepakt met tassen en knuffeldieren en doekjes. Mijn vader moet al heel vroeg op zijn werk zijn. Hij heeft een spreekkamer. Het is een kajuit met een gouden verrekijker waarmee hij zijn cliënten, de matrozen bespied. Mijn moeder drijft de rest van de dag op de bank en probeert klodders frituurvet van de vloer te vegen maar ze kan er meestal niet bij, spinnenwebben in de hoeken zijn niet makkelijk te vangen als je op een drijvende bank ligt. Bij ons thuis zweeft er van alles rond. Wezentjes die we zelf bedacht hebben en die we, als we thuis zijn, kraaltjes voeren zodat ze van kleur en vorm veranderen. 
Ze drinken van schoteltjes melk die we in de hoeken van de kamers neerzetten. Als mijn vader s'-avonds, na maanden op zee, thuis komt vertelt hij ons sterke verhalen over duistere kroegjes in havens waar zatlappen en schaars geklede dames schering en inslag zijn, over inheemse stammen die apenhersenen eten om slimmer te worden en als we hem niet geloven grijpt hij ons bij de enkels en schud ons ongeloof er uit. Als jullie groot genoeg zijn worden jullie allemaal kapitein, dat heeft een waarzegster op een van mijn reizen me voorspeld, zegt onze vader en roept schip Ahoy! Hij grijpt onze moeder bij haar middel en doet een tango. Onze moeder is stijf als een reaniematiepop, in zijn armen. Wij dansen mee, de wezentjes dansen mee, we dansen met de kapitein. Onze moeder zegt dat ze verder moet met eten koken en onze vader roept dat het al heerlijk ruikt. Op onze borden ligt een ondefinieerbare grijze prut en mijn vader zegt, heerlijke prut, knipoogt naar onze moeder en stopt het in het gat in zijn baard. Wij eten en kijken naar onze vader de kapitein en proberen het lekker te vinden. Onze moeder eet nauwelijks, ze heeft het te druk met zuchten en vlekken uit het tafelkleed poetsen. In de bank zit een groot zwart gat, maar onze vader is thuis van de zee, de zoute zee.
Het toetje is kietelen, roept de kapitein. Als we moe gelachen in bed liggen hopen we dat de zee zal opdrogen.


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen