donderdag 12 januari 2017

Verhaal Hopman in de Titaan #12

Linkje naar De Titaan



Hopman

Het is het begin van de zomervakantie, we zijn al een week op scoutingkamp. Morgen gaan we naar huis. Ik slaap met de hopman in een tweepersoonstent, hij is getrouwd, heeft twee kinderen en een snor. Hij is tien jaar ouder dan ik. Zijn vrouw is dik, lelijk en heel aardig. Ze geeft leiding aan de jongste groep, die niet mee op kamp gaat. De hopman en ik hebben al twee jaar de leiding over een groep pubers.
Ik woon sinds een jaar op kamers in de stad, maar elk weekend ga ik naar het dorp om leiding te geven bij de scouting. De hopman komt vaak naar mijn kamer om iets te overleggen of om me op te halen om boodschappen te doen voor onze groep. Het is alsof er dan een wereld binnenkomt die niet op mijn kamer hoort. Ik denk erover om na dit kamp te stoppen met scouting omdat ik soms in het weekend uit wil gaan met mijn nieuwe studiegenoten, soms doe ik dat al.
De hopman is een eigenwijze man, als hij het ergens niet mee eens is, blijft hij het er heel lang niet mee eens. Als ik met hem ga praten blijft hij het er iets minder lang niet mee eens. Ik word vaak door de andere leiding gestuurd om met hem te praten als de hopman koppig is. We kunnen het goed met elkaar vinden en het is een leuk kamp. We bedenken dingen waarmee we de kinderen de stuipen op het lijf kunnen jagen als ze in bed liggen. We krabbelen aan het tentzeil en maken snuivende geluiden, het kost ons moeite ons lachen in te houden.

We zitten met zijn vieren bij het laatste kampvuur en drinken veel bier. Ik ben de enige vrouw. Het wordt later en later. Om de beurt dans ik met een van mijn medeleiders op denkbeeldige muziek. We schuifelen zoals we dat vroeger op fuifjes deden. Een van hen trekt zijn T-shirt over mijn hoofd terwijl we dansen, we zijn erg dronken. Met de hopman dans ik het langst, ik moet hem af en toe een beetje omhoog hijsen en bijsturen. We gaan weer bij het vuur zitten, iets dichter bij elkaar dan daarvoor. Ik ga mijn slaapzak halen want mijn rug wordt koud en ik leg de slaapzak over mij en de hopman heen. Een van de anderen knipoogt naar mij. De hopman trekt de slaapzak over onze hoofden heen, hij zit stiekem aan mijn tiet en onze tongen vinden elkaar leuk. De hopman zegt dat hij van mij houdt maar ook van zijn vrouw. Ik weet niet wat ik terug moet zeggen, wat er nu gebeurt. Hij zoent me weer, de slaapzak blijft niet goed zitten, hij zakt naar beneden. We stoppen met zoenen en ik krijg weer een knipoog. Ik loop weg, ik denk aan de vrouw van de hopman. Hij loopt me achterna. Hij drukt me tegen een boom, we zoenen opnieuw en zijn snor kriebelt, ik heb nog nooit met een snor gezoend. Dan loopt hij richting het kampvuur en ik volg hem. De twee andere leiders krijgen ruzie. Die nacht slapen we met alle kampleiding in de bagagetent. De ruziemakers liggen tussen ons in.

De volgende dag fietst de hopman voorop en ik achterop, de pubers ertussen. We zijn samen een lang fietsend lint. Ik vind het prettig te fietsen en de boel in de gaten te houden. Mijn bonkende hoofd krijgt weinig kans zich volledig te manifesteren. Het trappen op de pedalen geeft me houvast.
Ik heb het gevoel dat ik gisteravond naar een indrukwekkende film heb gekeken, maar ik voel zijn snor nog kriebelen. De ruziemakers gaan met de bagage in een busje naar de blokhut. Tijdens de pauzes ontwijkt de hopman mijn blik en deelt nors minimarsjes uit. Als we bij het clubhuis aankomen, ruimen we zwijgend op en gaan naar huis. Als ik weer op mijn kamer ben, bel ik mijn moeder. Ze vraagt hoe het kamp was en ik zeg dat het leuk was. Ze zegt, er is zeker wat gebeurd tussen jou en de hopman. Daarna bel ik een vriendin en ik vertel haar het verhaal. Ze vraagt of het kan zijn dat we al die tijd al verliefd op elkaar waren zonder het te weten. Ik zeg dat het zou kunnen, verder weet ik niet wat ik moet doen. Als hij belt, neem ik niet op maar loop ik rond met de telefoon tot hij ophoudt met zijn irritante deuntje. Soms leg ik de telefoon onder een kussen op de bank. Hij belt eerst dagelijks, dan wekelijks, tot ik het begin te missen. Als de zomervakantie op haar einde is, hoor ik via de knipogende ruziemaker dat hij de vrouw van de hopman was tegengekomen bij de supermarkt. Ze had gezegd dat hun hond plotseling was overleden en dat de hopman hier dagenlang om had moeten huilen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen